ZOEKEN THEMA'S DIT
PROJECT
OVERIJSE
HISTORISCH
PARTNERS LINKS  
  Beknopte geschiedenis van Overijse   Druiventeelt  
OVERIJSE HISTORISCH
 
Druiventeelt

Ontstaan en evolutie
Teeltechnieken

ONTSTAAN EN EVOLUTIE



De Hoeilander Felix Sohie is de baanbreker van de druiventeelt onder glas. Als tuinman in dienst van baron de Peuthy te Huldenberg teelde hij druiven in een muurserre. In 1865 bouwde Felix Sohie voor eigen rekening zijn eerste druivenserre op de Berg te Hoeilaart. In 1878 werd zijn voorbeeld nagevolgd te Overijse door de gebroeders Danhieux. De serrebedrijven van deze pioniers breidden zich geleidelijk uit tot familiale bedrijven en de rijke oogst spoorde anderen aan hun voetstappen te volgen. Zo schitterden weldra honderden en later duizenden serres als zilveren staven op de Brabantse heuvelruggen.

Op 1 juli 1891 kreeg de druiventeelt echter af te rekenen met een vernielende hagelbui. Niet minder dan 16 treinwagons ruiten waren nodig om de wonden te dichten.
Tot overmaat van ramp hief de Franse regering datzelfde jaar een zware taks op de ingevoerde druiven. De nieuwe afzetmarkt Londen bracht redding. De inrichting van een tramlijn Overijse – Groenendaal in 1894 bood een antwoord op de groeiende goederentransporten en gaf een belangrijke impuls aan de druiventeelt. De afzet werd ook in de hand gewerkt door de stichting van de Hallen der Voortbrengers te Brussel, een coöperatieve veiling.
De grootste afnemer was Engeland, gevolgd door Duitsland en Nederland.

Na de eerste wereldoorlog schoot de export van de Belgische druif opnieuw de hoogte in. In de jaren 20 groeide vooral Amerika uit tot een interessant afzetgebied.
Ondertussen werden er steeds meer serres gebouwd, want er was geld mee te verdienen. Met de winst van één serre kon men het jaar nadien een serre bijbouwen, en zo ontstonden de glazen dorpen aan de boorden van de Ijse met in 1928 het hoogste kadastraal inkomen van het land.

Een jaar later viel een harde klap. De effectenbeurs in Wall Street stortte in elkaar en weldra was de wereldeconomie ziek. Door de gedaalde uitvoer verminderde de verkoop van druiven. Toch kon men in de druivenstreek verder gaan met het bouwen van serres dank zij de vroeger gul verdiende centen.
Bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog stonden er zowat 35.000 serres verspreid over een tiental gemeenten : totale opbrengst 13 miljoen kilo's druiven.

Onze tafeldruif overleefde voor de tweede maal het oorlogsgeweld, maar voor de serrist werd het stilaan duidelijk dat de goeie ouwe tijd voorgoed voorbij was.
De uitvoer naar Engeland bedroeg nog slechts een tiende van vroeger. Gelukkig kwam er na enkele jaren interesse vanwege West-Duitsland. De druiventelers hielden stand door hard werken, het garanderen van de kwaliteit met een speciaal label en het verwerken van de mindere kwaliteit tot wijnen en schuimwijnen (in Overijse door wijncoöperatief Isca vanaf 1955).

Vanaf de invoering van de Euromarkt in 1962 moest de Belgische tafeldruif concurreren met goedkope zuiderse druiven. De teelt werd minder rendabel en de opvolgers ontbraken.

Het bleef tegenslagen regenen met de energiecrisissen in 1973 en 1979. In drie jaar tijd verdubbelde de stookolieprijs. Het probleem van de bedrijfsopvolging werd steeds groter.
De leefbaarheid van de bedrijven kwam nog meer in het gedrang. De algemene economische recessie die daarop volgde, werkte de teloorgang van de druivenstreek verder in de hand.
Van 1970 tot 1980 daalde het aantal serres in de ganse streek van 25817 naar 10917.
Overijse telde in 1990 nog 140 voltijdse serristen en 2717 serres, waarvan 1680 druivenserres. De glazen dorpen van weleer zijn niet meer, maar de Druivenstreek telt vandaag nog een dertigtal beroepstelers.

De laatste jaren vernieuwden enkele jonge kwekers hun bedrijf in moderne warenhuizen, lieten ultramoderne kassen bijbouwen of legden zich toe op moeilijke variëteiten zoals Leopold III. Druivenbedrijven pasten zich aan aan de moderne eisen van bedrijfsvoering.
Sinds 10 juli 2008 is de Vlaams-Brabantse tafeldruif Europese beschermd. Met de Beschermde Oorsprongsbenaming (of kortweg BOB) bent u er zeker van dat uw druiven geteeld zijn binnen Vlaams-Brabant en volgens een erkende en gecontroleerde traditionele werkwijze.

De druiventeelt schiep nieuwe werkgelegenheid, beďnvloedde het uitzicht van de gemeente en bracht heel wat welvaart in de streek. Overijse, Hoeilaart en omstreken konden terecht glazen dorpen genoemd worden.
Typerend voor de welstand van de vroegere serristen, was hun drang naar grote monumentale villa’s, waarbij kosten noch materialen gespaard werden.
Een bijkomend gevolg van deze bloei was de organisatie van talrijke tentoonstellingen en de hieraan gekoppelde festiviteiten. Elk jaar nog lokken de negendaagse druivenfeesten heel wat volk naar Overijse.

TEELTTECHNIEKEN

Het werk in de serre
De Belgische tafeldruiven worden geteeld in verwarmde serres. Bijna al het werk in de druivenserres gebeurt manueel: wintersnoei, grondbewerking, bemesting, verwijderen van scheuten, bescherming tegen te sterke zonnestraling, biologische bestrijding van eventuele ziekten, benevelen en begieten, onderhoud van de serres, controle... er is voortdurend werk.

In het voorjaar krijgen de druivelaars nieuwe scheuten. Opdat het bladerdek niet al te weelderig zou worden, is het nodig overtollige scheuten regelmatig weg te snoeien.
Wispelturige twijgen worden via een netwerk van draden en wasspelden geleid.

Om de trossen optimaal te laten uitgroeien, wordt ieder exemplaar aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen, waarbij kleine en slecht gevormde druiven weggeknipt worden. Dit “knippen of greneren” vergt het meeste werk en gebeurt meestal tijdens de warmste maanden van het jaar.

Het licht en de zonnestralen doen de bessen “blanken” en het zurige groen vloeit geleidelijk over in paarse of gele tinten. Tegelijkertijd verhoogt de warmte het suikergehalte van de vruchten. Afhankelijk van de aangewende warmtebron en de variëteit in kwestie, zijn de vruchten na zekere tijdspanne klaar om geoogst te worden: het resultaat van een maandenlang groeiproces. Door deze ambachtelijke wijze van telen, bekomt men een hoogstaand product van uitzonderlijke kwaliteit, die niet te evenaren is.

Naast de druiventeeltarbeiders werd ook vaak heel het gezin aan het werk gezet. De “serristenvrouw” heeft steeds een speciale plaats ingenomen te midden van de druivencultuur. Vroeger hanteerde ze de knipschaar, maar tegenwoordig volgt ze in het bedrijf het hele productieproces op.

Serres
Aanvankelijk werden de serres opgetrokken met een houten geraamte, wat later vervangen werd door een ijzeren constructie. Tot het oudste type behoort de “ronde serre”.
Vandaag bestaat het serreareaal overwegend uit de meer hoekige types. Slechts een aantal enkelingen hebben hun bedrijf gerenoveerd door de oude kassen te vervangen door warenhuisserres. Niet alleen de druiventeelt vereist een vakkundige verzorging, ook de serres vragen om een geregeld onderhoud. Na verloop van tijd moeten alle ruiten van de serre gehaald worden en krijgen ze een grondige reinigingsbeurt. Met behulp van een speciaal bereide “mastiek” past de serrist de ruiten één voor één in het geraamte.

Verwarming
De mediterrane afkomst van de druif verplicht elke serrist ertoe het Belgisch klimaat aan te vullen met andere warmtebronnen. Oorspronkelijk was elke serre voorzien van een individueel verwarmingssysteem, steenkool werd in een fornuis verbrand en de vrijgekomen energie via buizen door de hele serre geleid.
Een eerste stap voorwaarts betrof de temperatuurregeling door het aanwenden van “zuigers en blazers”.
Pas na W.O. II deed de centrale verwarming haar intrede op sommige bedrijven. Heel grote bedrijven beschikten over een haast industriële stookinstallatie.
De steeds oplopende energiekosten zetten vandaag de dag aan tot het zoeken naar alternatieve warmtesystemen, zoals zonne-energie.
Om verbranding van het bladerdek en de trossen te voorkomen worden bij te felle zoninval de serreglazen bekalkt.

Bemesting
Een intensieve cultuur als de druiventeelt vereist een regelmatige verrijking van de bodem, waarvoor zowel kunstmatige als natuurlijke meststoffen worden aangewend.

Bevloeiďng
Glastuinbouw maakt bevloeiďng tot een noodzakelijk iets. Vandaar dat elke serre over een waterput beschikt.
In het begin behielp de serrist zich met een gieter. Begin 20ste eeuw vond de “battant”, een manuele pomp, ingang die later door de aangedreven pompen vervangen werd. Zo werd het regenwater door middel van dikke waterslangen over de serre verspreid.
Tegenwoordig gebeurt dit via geautomatiseerde irrigatiesystemen.

Bestrijding
De meest voorkomende druivenplaag is odium, ook “witziekte” genoemd, waarbij parasieten soms hele takken aantasten. Andere ziekten zijn “trips” en “grise”, beide veroorzaakt door kleine insecten. Ter bestrijding van dit onheil werden allerlei biologische en chemische middelen ingevoerd. Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is vanaf de bloeiperiode uit den boze, want dit zou de kenmerkende natuurlijke donslaag van de druif aantasten. De meest afdoende methode was het verstuiven van zwavel. Dit gebeurde met blaasbalgen, sproeiers, verstuivers, verdampers.

Verkoop
De druiven konden op verschillende manieren bij de klant terecht komen. Enerzijds werden de druiven door de producent zelf via de veilingen of markten aan de man gebracht. Anderzijds kon de verkoop ook verlopen via een tussenpersoon, de ‘marchand’ of druivenhandelaar. Zij kochten hele serres op bij de serrist, lieten de druiven door hun personeel oogsten en verpakken en bedienden vooral de vroegmarkten in ons land. Zij stonden ook in voor de export. Tegenwoordig komt het steeds meer voor dat de serrist zelf rechtstreeks zijn waren verkoopt (aan huis, op straat, op markten). Voor dit luxeproduct werd een heel gamma verpakkingsmaterialen ontwikkeld, van mandjes tot kleurrijke lintjes en strikjes als afwerking.

Transport
In het begin gebeurde het transport met kruiwagen, paard en kar of fiets. De druivenkistjes werden gestapeld tot een groot pak om het sjouwen te vergemakkelijken, het geheel werd bijeen gehouden door lederen riemen en een geruite doek. Naarmate de kisten verbeterden en het transport veranderde, verdwenen deze pakken.
Een grote stap voorwaarts was de aanleg van de tramlijn Groenendaal- Overijse in 1894. De stoomtram werd geleidelijk verdrongen door de vrachtwagen.

Omgevingsfactoren
De druivenstreek leent zich uitstekend tot de druiventeelt wegens zijn heuvelachtig karakter. De serres op de zuidelijk gerichte hellingen kunnen maximaal van het zonlicht profiteren. De bodem is zeer geschikt voor tuinbouw en de rivier de Ijse staat in voor een goede bevloeiďng.
Ook de nabijheid van Brussel als afzetgebied heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van de druiventeelt.


 
Gedetailleerd zoeken      
  Foto's 119  
  Filmpjes 0  
  Posters 1  
  Tijdschriften 0  
  Teksten en documenten 4  
  Reeksen in verhaalvorm 1  
Login      
 
U hebt enkel een login nodig indien
u actief wenst mee te werken.
  Login
  Paswoord
 
 
 
Nog geen login? Klik hier!
© 2009 Gemeente Overijse | LBG-X Imagine-IT.be | Auteursrechtenverklaring